De geschiedenis van Stiphout.

 

 

 

Het 1e schriftelijke bewijs voor het bestaan van Stiphout is gevonden in een akte uit 1155.

In de akte wordt vermeld dat 1/4 deel van een hoeve geschonken wordt, gelegen in de

" Villa Stilpot ". Met "Stilpot" is volgens een aantekening op de achterkant van de akte

Stiphout bedoeld.

 

In het jaar 1292 laat Jan I, hertog van Brabant, op verzoek van Henrie Dicbier, heer van

Mierlo, door 10 geloofwaardige lieden de grenzen tussen diens gebied en het zijne vastleggen.

Een van deze lieden was Daniel van Stiphoudt.

In dezelfde akte worden plaatsnamen in Stiphout genoemd, zoals " Gasthuis " en het

Eyckensbrugsken.

 

Aan het einde van de 13e eeuw blijkt Stiphout in bezit te zijn van de hertogen van Brabant,

die heer zijn over deze gebieden. Als heren van Helmond zijn zij ook eigenaar van verschillende

erfpachten of cijnsen in Stiphout.

In 1314 ruilt Jan van Berlaer Lier met de hertog van Brabant voor de heerlijkheid Helmond.

Hij werd tevens eigenaar van de cijnsen van Stiphout.

Vanaf 1320 tot 1817 kwam de rentmeester van Helmond elk jaar in Stiphout de cijnsen

innen op 3 oktober.

 

Stiphout was van oudsher een heerlijkheid, die in 1392 door de hertog van Brabant werd

verpand aan Dirck de Rovere, tezamen met de dorpen Aarle, Beek en Rixtel.

Deze verbondenheid van Stiphout met genoemde dorpen bleef bestaan tot 1642.

In dat jaar werd Stiphout met Croy als een heerlijkheid uitgegeven aan

Jean Baptiste van Elen, heer van Gasborre.

Omdat Stiphout deel uitmaakte van een heerlijkheid was het in sterke mate afhankelijk van de

heer. Deze had het gebied in leen van zijn leenheer.

Dat was aanvankelijk de hertog van Brabant, maar later waren dat de koningen van Spanje,

en na de vrede van Munster, de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden, die zich

als rechtsopvolgers van de hertogen van Brabant beschouwden.

Elke keer als iemand de heerlijkheid Stiphout en Croy in bezit kreeg, moest hij plechtig

in leen ontvangen van zijn leenheer.

Bij elke leenverheffing werd een oorkonde opgemaakt.

Tot de heerlijke rechten die de heer bij zijn leenverheffing ontving, behoorde allereerst

de absolute rechtsmacht in zijn gebied.

Deze liet hij uitoefenen door zijn plaatsvervangers, de drossaard en de schepenbank.

 

Het dorp, de parochie, de gemeijnt en het gericht in Stiphout kende officieel zijn eigen

bestuur of college.

Het dorpsbestuur bestond in de 17e en 18e eeuw uit een drossaard, als vertegenwoordiger

van de heer, 7 schepenen, waaronder een president-schepen, 2 burgemeesters,

2 kerkmeesters, 2 H. Geest-of armmeesters en de dorpssecretaris.

Zij kwamen allen bijeen als er belangrijke dorpszaken aan de orde kwamen, zoals het

opstellen van dorpskeuren, verkoop van gronden, de regeling van oorlogslasten, en het

inhuldigen van de nieuwe heer van Stiphout en Croy.

 

De drossaard en de dorpssecretaris waren functionarissen, die het meest aan de positie

van de huidige amtenaar doen denken.

Zij werden tegen een bepaald salaris voor het leven aangesteld.

De drossaard was een machtig man in het dorp.

Hij vertegenwoordigde de heer in het dorpsbestuur, waakte over de vrede, en vervolgde

de overtreders. Ook beschermde hij de belangen van de armen, weduwen en wezen.

 

In de periode 1714 - 1736 was Pieter de Cort drossaard van Stiphout.

In 1784 was Johan van Ommeren (gestorven in 1796) drossaard van Stiphout,

en Matthijs Zuurmond van Heijnsbergen dorpssecretaris.

In 1779 was Ludolphus Ribbius dorpssecretaris.

 

Stiphout telde 7 schepenen, zij werden door de heer voor 1 jaar benoemd.

Een van hen was voorzitter en werd president-schepen genoemd.

De schepenbank was in 1e instantie een rechtsprekend college, maar doordat in Stiphout

het rechtsgebied, het gebied van het dorp en de gemeijnt nagenoeg samenvielen,

traden de schepenen ook op als dagelijkse bestuurders, van dorp en gemeijnt.

Een familie die vele schepenen van Stiphout heeft geteld was de familie van Duynhoven.

In vrijwel elk schepencollege komt een lid van deze familie voor.

 

De burgemeesters, 2 in getal, waren functionarissen, die telkens voor een jaar door

de heer benoemd werden. Zij hadden het beheer over de geldmiddelen van het dorp

en moesten de verschuldigde dorpsbelastingen innen en afdragen.

Het was geen aantrekkelijke baan. Zij waren aansprakelijk voor eventuele tekorten.

Uit de schepenprotocollen blijkt dat de burgemeesters de schepenbank herhaaldelijk

moesten verzoeken om beslag te leggen op de goederen van wanbetalers.

Vaak viel er onder de wanbetalers niks te halen, zodat de burgemeester de tekorten

zelf moest aanvullen.

 

1810-1826  Burgemeester Claassen

         1850-1883  Burgemeester van der Putten

      1883-1895  Burgemeester van Lieshout

      1895-1905  Burgemeester van Oorschot

 1905-1923  Burgemeester Sprengers

          1923-1948  Burgemeester van der Weiden

 

De kerk-en armmeesters waren leden van de dorpsregering.

Zij werden door de heer voor de duur van 1 jaar benoemd.

De kerkmeesters ( 2 ) hadden als taak het beheer van de kerkgoederen en de kerkekas.

Na 1648, toen de openbare uitvoering van de rooms-katholiele godsdienst werd verboden,

bleven slechts de kerkmeester van de gereformeerde religie officieel in functie.

Hetzelfde gold voor de arm-of H.Geestmeesters, die de armenkas beheerden.

De armenkas werd gevuld door vrijwillige bijdragen, legaten en erfenissen.

 

De schoolmeester werd voor het leven door de heer benoemd.

Hij genoot in Stiphout tevens inkomsten als koster, voorzanger en voorluider.

Aanvankelijk hielden de schoolmeesters van Stiphout, school in eigen woonhuis,

totdat in 1730 in Stiphout een eigen schooltje werd gebouwd.

 

1906-1928  Meester Strik

 

Stiphout kende ook een eigen ijkmeester.

Het ijkrecht was een heerlijk recht van de heer, die hiervoor een afzonderlijke

ijkmeester aanstelde. Zijn taak was het ijken van maten en gewichten en het keuren

van levensmiddelen.

 

In de 18e eeuw werd over de uitgestrekte heide gewaakt door 2 speciaal daarvoor

aangestelde heimeesters.

Zij werden telkens voor een jaar door de heer benoemd.

Zij konden de overtreders van de reglementen op het gebruik van de hei, een geldboete

opleggen, waarvan een deel henzelf ten goede kwam.

 

De collecteur van de gemene middelen pachtte van de landsregering de inning van

's landsbelasting. deze belasting was vrij uitgebreid.

Men kende de belasting op de grond ( verponding ) op granen ( gemaal )

vee ( bestiaal ) wijn, bier, zout, zeep, turf, tabak etc.

De vaak zeer hoge belastingen, die in de Republiek de Verenigde Nederlanden werden

geheven, vormden een zware financiele druk op de toch al arme bevolking.

Belastingophalers waren daarom niet de meeste geliefde personen in Stiphout.

 

Over de veiligheid van Stiphout werd ook gewaakt door de rotten.

Dat waren burgerwachten, georganiseerd in rotten of wijken. Stiphout kende er 3.

De rot van 't Geeneind, van de Coolstraat en van de Spaget.

Aan het hoofd van ieder stond een rotmeester die de manschappen binnen het rot

aanvoerde en de wachtdiensten regelden.

In de winter van 1771 werd Brabant geteisterd door dieven en landlopers.

In Stiphout besloot men een klopjacht op hen te houden.

De rotmeesters moesten zorgdragen dat elke rot, met wapen in zijn gebied patrouilleerden.

Het rot van 't Geeneind werd de weg naar Lieshout opgedragen.

De Coolstraat moest de weg naar Croy in het oog houden,

terwijl de Spaget de weg naar Helmond en Mierlo voor zijn rekening nam.

 

Hier kunnen we opmaken, op welke hoogte 't Geeneind, de Coolstraat en de Spaget lagen!

 

Een erg vermogend dorp is Stiphout nooit geweest.

De inwoners leefden van het kleine boerenbedrijf en de linnenweverij.

Op de akkers werd hoofdzakelijk rogge en boekweit verbouwd, en op de hooi en beemd

landen graasden de koeien. Buiten de kudde schapen was de veestapel gering.

In 1794 bleken op de 80 gezinnen 168 volwassen runderen en 40 kalveren te zijn.

De akkerlanden bedroegen totaal 217 hectare.

De hooi en beemdlanden langs de goorloop bedroegen totaal 217 hectare.

 

De toch al arme bevolking van Stiphout werd herhaaldelijk geteisterd door oorlogen,

zware belastingen en epidimieen.

In 1512, tijdens de gelderse oorlogen werd Stiphout nagenoeg totaal verwoest en

leeggeplunderd.

In 1587 trokken Spaanse troepen door de streken. De kerk van Stiphout werd in brand

gestoken en de bevolking een brandschatting opgelegd.

In 1593, tijdens de 80 jarige oorlog namen de Spaanse troepen alle schapen in beslag,

en konden de boeren na een flinke betaling hun schapen weer terug krijgen.

 

In het begin van de 17e eeuw herstelde het dorpvan de verschillende rampen.

Er ontwikkelde zich naast het boerenbedrijf een nieuwe bron van bestaan,

de linnenweverij.

 

Ofschoon Stiphout aan het eind van de 18e eeuw niet rijk was, waren er weinig

echte armen die van de armenkas moesten leven.

In heel Peelland leefden 7,3% van de inwoners van de armenkas, In Stiphout was dit 1,3%.

De boeren met hun kleine bedrijfjes konden zichzelf redelijk bedruipen, maar kapitale

boerderijen die forse winsten maakten waren er nauwelijks.

 

Gehuchten van Stiphout tussen 1736 en 1776,  (Schrijfwijze is van jaartal!

 

Het Gasthuijs

Cleijn Eijnde (1746)  Clijn Einde (1756)  Clijn Eijnd (1766-1771)

Aan de Linde

De Spaeget (1736)   De Spaget (1766)

Cruijschot (1766-1771)  Cruijsschot (1741)

Coolstraat (1736)  Coolstraet (1741)

Aende Boschen (1741)  Aan de Bosschen (1766)