De gemeijnt Stiphout.

 

 

Hieronder wordt verstaan het gebied en gronden, die door de inwoners

gemeenschappelijk werden gebruikt.

In de 13e eeuw beschouwden de hertogen van Brabant zich, in de

hoedanigheid van landsheren, als rechtmatige eigenaren van deze gemeijnten.

Zij gaven deze gronden aan de feitelijke bezitters, tegen eeuwig erfpacht uit.

Vermoedelijk hebben de inwoners van Stiphout in 1300 of tenminste voor 1312

de gemene gronden in erfpacht gekregen.

 

De gemene gronden waren van groot belang voor de Stiphoutse bevolking.

Men liet op de heide het kleinvee grazen, en de heideplaggen vermengt met stalmest,

gebruikte men voor de bemesting van de akkers.

De eikels uit de bossen waren voor de varkens. In het voorjaar en in de zomer

wanneer de heide in volle bloei stond, plaatsten de boeren hun bijenkorven om

honing te winnen.

 

Gemeenschappelijk gebruik van deze gronden eiste een goede organisatie.

Ieder gemeijnt in Brabant had een eigen bestuur en een reglement of keur.

Het bestuur bestond aanvankelijk uit een voltallige vergadering van de geburen,

de deelgerechtigden in de gemeijnt.

De deelgerechtigden in de gemene gronden betaalden jaarlijks een gebuuraccijns

om de jaarlijkse kosten te dekken.

 

In 1374 kregen verschillende inwoners van Stiphout het gemeenschappelijk gebruik

van 45 bunder hooiland, genaamd de Eenselaar, van de heer van Helmond.

Deze grond werd voortaan geacht te behoren tot de gemeijnt Stiphout.

In 1763 meenden de drost en de schepenen van Stiphout, dat zij ook de rechtsmacht

over het gebied hadden.

Uiteindelijk werd er een compromis bereikt waarin Stiphout de rechtsmacht van

Helmond op dit gebied erkende.

Toen in 1811 de grenzen van het rechtsgebied uitgangspunt vormden voor de

nieuwe gemeentegrenzen, bleef de Eenselaar bij Helmond, ofschoon de

Stiphoutenaren eeuwenlang de feitelijke bezitters waren van dit gebied.

 

Soms werden door de geburen percelen verkocht voor particulier gebruik.

Belangrijke verkopen vonden plaats in 1650 toen 70 percelen akkerland aan de

inwoners van Stiphout werden verkocht.

 

Tot diep in de 19e eeuw bleef het grootste deel van de gemeijnt onverdeeld.

De boeren waren van mening dat de gemene gronden onmisbaar waren als graasgrond

voor het kleinvee.

Rond 1800 was jonker van der Brugghen, heer van Croy, bereid om vele hectaren

grond van de gemeijnt te kopen, tot ongenoegen van de boeren.